vrijdag 27 februari 2015

Spirituele Wetmatigheden?


Spirituele Wetmatigheden?

De vraag workees 1dt wel eens gesteld of we spirituele kennis ook praktisch kunnen maken. We horen of lezen bijv. over ons theoretisch lijkende kennisgebieden en we vragen ons af, wat heb ik er aan? En ook, hoe kan ik weten of het waar is? Ik ga nu een voorbeeld beschrijven van iets wat ik zelf nadat ik er eerst over gelezen had  heb toegepast. De aanleiding hiertoe wordt hieronder beschreven.
 Rudolf Steiner beschrijft wat een mens na zijn dood in de geestelijke wereld kan meemaken. Dat kan voor een onvoorbereide lezer heel theoretisch klinken, immers met welke middelen kan gecontroleerd worden of het klopt wat hij beschrijft? Tegenwoordig ruim honderd jaar later wordt echter veel van wat Steiner noemde door serieuze onderzoekers bevestigd, zoals bijv. Pim van Lommel waar deze in een studie over bijna dood ervaringen veelal tot dezelfde conclusies komt.
Er wordt door Steiner gesproken over de kama loka (oord der begeerte) toestand na de dood. Als men net overleden is komt eerst het levenslichaam los van het fysieke lichaam welke nu met zijn ontbinding begint. Het levenslichaam (etherlichaam) bergt o.a. het menselijke geheugen in zich. Dit loslaten en tegelijkertijd ook oplossen van dit levenslichaam duurt ongeveer 3 dagen. (ongeveer zo lang als men er maximaal in slaagt wakker te blijven als men zich daarop zou toeleggen) In deze tijd ziet de gestorvene in een reusachtig perspectivisch panorama zijn hele leven voor zich uitgebreid van sterven tot geboorte. Wat kort tevoren beleefd is dichtbij en wat langer geleden gebeurd is verder weg, analoog net als het perspectief in een laan bomen. Bomen dichtbij groot en bomen verder weg klein. Maar alles wel tegelijkertijd. De tijd is tot ruimte geworden. Mensen met een bijna dood ervaring spreken vaak over dit panorama. Dit panorama kan zich ontvouwen in een fractie van een seconde bij bijna dood ervaringen. Mensen die het meemaken kunnen uren zo niet dagen lang spreken over deze korte tijdsflits als ze tenminste niet bang zijn om voor gek aangezien te worden, wat helaas vroeger maar al te vaak gebeurde. Tijd is in spirituele zin is dus iets heel anders dan wij hier op aarde beleven.
Daarna komt de tijd dat de mens zijn astrale lichaam ( het zielegebied) begint los te laten. Uiteindelijk gaat alleen zijn -ik-  (geest) door naar een volgende incarnatie.kees2
De mens gaat nogmaals zijn hele leven verwerken en wel chronologisch in omgekeerde volgorde. Maar dan vanuit het perspectief hoe hij door andere mensen beleefd is. Hoe dat precies in zijn werk gaat is o,a, in de volgende links beschreven.(noot 1-2-3-4) Maar waar het hier nu even om gaat is de tijdsduur van dat proces wat in het kama loka zich afspeelt. Die periode is namelijk ongeveer een derde van het geleefde leven. Is men bijv. 90 jaar geworden dan is deze periode ongeveer 30 jaar. Deze periode hangt samen met het feit dat een mens een derde van zijn leven slaapt. In elke nacht is er al een (onbewuste) verwerking van de afgelopen dag. In dit geval dus 90:3=30 jaar. (8 uur slaap per 24 uur). In terugwerkende volgorde wordt dus het leven als aaneengeschakelde nachten verwerkt vanuit het standpunt van de gevoelens van de andere mens. Deze andere mens leeft intussen zijn leven verder op aarde en is nog in het slaap/waakritme 1:3. Maar dat zijn slechts gemiddelden.
Nu de overgang van de theorie naar de praktijk. Daartoe het volgende voorbeeld. Ik heb het idee dat vele mensen deze belevenissen hebben,maar er weinig bewust bij stilstaan.kees 3
Mijn vader is in 1989 overleden en werd 66 jaar. (1923). Zelf ben ik van bouwjaar 1954.
Ik heb meerdere van deze momenten (als onder beschreven) gehad, maar ik licht er nu een bijzondere uit.
Op een gegeven moment in 2001 nadat ik eigenlijk al langere tijd niet meer aan mijn vader had gedacht, was hij opeens weer in mijn aandacht na een nacht slapen. Het was niet zijn verjaardag en er was ook geen uiterlijke aanleiding daarvoor. Indachtig de mededelingen van Steiner ging ik eens terugrekenen. In het jaar 2001 was het 12 jaar geleden dat mijn vader overleden was. In 1989 is zijn kamaloka periode begonnen. In 2001 was hij in het terugleven dus 12×3=36 jaar terug sinds 1989. 1989-36=1954. (de getallen zijn afgerond). Dus op het moment dat hij opeens levendig in mijn herinnering was, was hij aanbeland in het terugbeleven bij mijn eigen geboorte in 1954! Op deze manier kun je ook op andere belangrijke gebeurtenissen stuiten die je samen beleefd hebt. Hetzelfde kan ik ook over mijn moeder vertellen. In 2014 had ik iets soortgelijks. Overleden is ze in 1999, dus 15 jaar tevoren. 1999-3×15= 1954! Zoals ik al schreef dit gaat ook op bij andere gebeurtenissen,bij ernstige ziekte, het sterven van een ander familielid of juist de geboorte.
Voor degene die dit bij zich zelf eens willen nagaan is er de volgende formule.
B= tijdstip belevenis (dat men opeens na langere tijd bewustzijn heeft van iemand)
S=sterfdatum
T= verstreken tijd
D=berekende datum
B-S=T (streepje is minteken)
S-(3xT)=D
Vlgs voorbeeld boven
B2014-S1999=T15
S1999-(3xT15)=D1954
Zoals ik al schreef ook voor andere gezamenlijk belevenissen ging dit op. Na 2011 had ik het gevoel dat het gevoelscontact met mijn vader aan het afnemen was. In 2011, 22 jaar na zijn sterven had mijn vader sinds 1989 al 66 jaar terug beleefd en was bij zijn eigen geboorte in 1923 aangekomen. Volgens Steiner ga je dan over in een hogere hemelsfeer (noot 3) en hou je je minder met het leven op aarde bezig.
kees 4Het is voor de gestorvene heel belangrijk, dat degenen die nog op aarde achtergebleven zijn nog steeds denken aan de gestorvene, niet in de zin van was hij nog maar hier, maar om het verwerkingsproces voor de overledene makkelijker te maken. Vooral als er zich incidenten hebben voorgedaan die op dat moment onvergeeflijk waren kan het zeer waardevol zijn om later alsnog te proberen te vergeven. Op zijn beurt als de overledene in zijn verwerkingsproces aangekomen is bij deze belangrijke episode, is de kans dat de levende hier op aarde daar wat van mee krijgt groot indien hij er voor open staat, vooral in de slaap als hij ook (onbewust) in de geestelijke wereld is en zijn afgelopen dag aan het verwerken is. Een bewuste indruk die men heeft bij het ontwaken kan men dan serieus nemen en erachter proberen te komen wat er gezegd wil worden.
Probeert u zelf eens met iemand die u na stond en overleden is of u ook dergelijke belevenissen bij u zelf naar boven kunt halen.

Meer over kama loka en stadia na de dood:

terug naar inhoudsopgave

woensdag 18 februari 2015

auteur


De reis naar Constantinopel

Unknown-2





Hij was op weg met een reisgezelschap. De trein waarin ze reden maakte een langere tussenstop in Constantinopel. Om de tijd tot het vertrek te overbruggen en ook uit nieuwsgierigheid verliet hij het station en ging de omgeving verkennen. Maar al spoedig bemerkte hij dat hij de tijd uit het oog verloren had, de trein bleek al weer vertrokken met de rest van het gezelschap. Daarom werd echter niet gerouwd. Nu eenmaal daar ging hij verder de stad verkennen. Unknown-3Liep door smalle steegjes met naambordjes die hij niet kon lezen vanwege de oosterse lettertekens. Er liepen kleine vrouwtjes met hoofddoekjes en ze spraken een taal met elkaar die hij niet kon verstaan. Door de smallere steegjes ging het langzamerhand heuvelopwaarts. De stad was kennelijk op een heuvel gebouwd. De huizen waren ter weerszijden van de smalle steegjes hoog en weinig zonlicht bereikte de straat. Een beetje verloren voelde hij zich daar. Toen kwam hij bij een bredere hoofdstraat, meer zonlicht drong er door. Deze straat glooide ook langzaam omhoog.
Kijkende vanuit een smalle zijstraat zag hij in de hoofdstraat een stoet naderen. Voorop liep (of beter gezegd schreed) een zwart gesluierde vrouw. Hij voelde aan dat ze een weduwe was. Achter haar aan een gevolg van stemmig geklede mensen, een lange rij. Ze schreden geluidloos voorbij. Hij kreeg ook de indruk dat ze een prinses was of in ieder geval van hoge komaf. Het wekte in ieder geval zijn nieuwsgierigheid mateloos. Toch verloor hij de prinses-weduwe en de stoet weer uit het oog en ging verder de straten door wel steeds heuvelopwaarts. Toen bovenop op de heuvel ontwaarde hij een imposant gebouw, de Hagia Sophia, eens moskee, nu een kerk.
Hij ging er binnen door een hoge poort. Binnen reusachtige zuilen wijd uit elkaar en boven een reusachtig koepelvormig beschilderd plafond. Door gekleurde glasvensters met motieven speelden warme kleuren in een lichtspel op de bodem en de wanden. Daar zag hij opeens de zwart gesluierde vrouw, ze zat op een houten bankje vlakbij een grote stenen zuil. Hij wist dat hij zich geheimzinnig tot haar aangetrokken voelde. Haar gevolg van eerder was nergens te bekennen. Achter de sluier wist hij keek ze hem aan. Geen geluid klonk er nu, terwijl toen hij in de straatjes dwaalde er nog wel een geroezemoes geklonken had. Toen liep hij op haar toe voelde ook iets van sensualiteit en wilde de sluier optillen om het gezicht te kunnen zien waarvan hij het gevoel had dat het wonderschoon moest zijn, net als haar hele voorname gestalte, zwarte geklede lange gestalte met slank postuur.images
Toen opeens sloeg een gedachte binnen met de kracht van een bliksemflits. Hij had zijn schoenen nog aan!, had verzuimd deze uit te trekken bij de ingangspoort. Het voelde aan als bijna een vloek, heiligschennis! In een moskee, een sluier willen oplichten van een mooie voorname vrouw en dat met de schoenen aan! Diepe schaamte overviel hem, hij keerde zich om en verliet teleurgesteld de kerk, zij volgde hem liefdevol met haar blik. Daarna volgde een dwaalweg in tegenovergestelde richting van de heenweg door de stad, echter nu heuvelafwaarts. Dit gebeurde in grote verwarring en een gevoel van gefaald hebben. Uiteindelijk kwam hij buiten de stadsmuren in een mooi glooiend goudgroen landschap in de namiddagzon. Een zilverkleurig riviertje meanderde liefelijk door het landschap. Hij werd getrokken naar een man in het veld, deze was met een zeis het goudgele koren aan het maaien met grote ritmische bewegingen. Een oude wijze man met lange witte mantel en lang wit haar dat in de zon zilverig glinsterde. Toen hij daar aan kwam begon de man liefdevol in een vreemde taal tot hem te spreken, maar toch kon hij alles verstaan.
Toen werd hij wakker uit deze zo detailrijke heldere droom. Vergeten was alles wat de oude man hem vertelde op een ding na, “alles zal goedkomen”. Vervolgens in de jaren die volgden bleek het dat deze heldere droom tot een richtsnoer in zijn leven werd.


aanvulling nav reacties (zie onderaan):

De pelgrim.

Ik zal het in navolging van de repliek van Maya van der Bent op mijn verhaal van de reis naar Constantinopel verder ook over "de pelgrim " hebben.

De pelgrim was op weg met de trein met een gezelschap wat vermoedelijk zijn familie en kennissen representeerde. Bestemming onbekend maar het voelde vrij zakelijk aan. Het tussenstation Constantinopel markeerde een ommekeer in zijn zoekrichting want oude karmische verbanden werden losgelaten en een nieuwe zoektocht werd vooreerst nog onbewust gestart.
Constantinopel heet tegenwoordig Istanboel.
In het begin is de pelgrim zich niet bewust wat hij zoekt. Hij dwaalt in de stad en gaat steeds meer heuvel opwaarts ergens naartoe. Iets drijft hem.
Hij voelt zich niet echt thuis in de oosterse setting omdat alles hem onbekend en vreemd voorkomt, de taal, het schrift en de mensen. Toch is zijn nieuwsgierigheid geprikkeld en er is geen enkele spijt dat hij de voortzetting van de treinreis met het gezelschap gemist heeft. Iets nieuws kondigt zich aan maar hij weet nog niet wat. Op het moment dat hij bij de hoofdstraat aankomt en de kleine zijsteegjes verlaat. Begint het te dagen dat hij naar iets op zoek is.
De waardig voortschrijdende rouwstoet met de zwarte gesluierde vrouw voorop prikkelt zijn nieuwsgierigheid. Hij weet dat ze een weduwe is en mogelijk ook een prinses. Maar waarom er gerouwd word weet hij niet er is ook geen lijkkist in de stoet.
Hij waagt het niet om de stoet te volgen en dwaalt nog wat verder.
Wat betreft de gesluierde weduwevrouw en rouwstoet heeft de pelgrim later het volgende gelezen wat vlgs hem op de een of andere manier een aanwijzing zou kunnen zijn.

In het oude Egypte was een tempel te Saïs. Tempels waren inwijdingsplaatsen. In die tempel stond een standbeeld van Isis een godin. In christelijke termen hetzelfde als jonkvrouw Sophia. Sophia betekend wijsheid. Jonkvrouw is maagdelijk. Dit beeld was gesluierd. Er was een jongeling die later de jongeling van Saïs werd genoemd. En deze zocht een inwijdingsweg te gaan. Hij wilde daartoe de sluier van het beeld afnemen.
Maar bij het beeld stond de tekst:

"Ik ben alles wat is, alles wat is geweest en alles wat zal zijn. Geen sterveling heeft mijn sluier opgelicht." -

Dit wezen is verleden, heden en toekomst.

Het lukt de jongeling dan ook niet om het beeld te ontsluieren. Hij was nog niet rijp voor deze inwijdingsgraad.
Hij zal sterven zonder dit geheim ontrafeld te hebben.

De rouwstoet. Een langer citaat uit de bijbel.

Jezus wekt de zoon van een weduwe tot leven
LUKAS 7:11-17
EEN OPSTANDING BIJ NAÏN

Kort nadat hij de dienaar van de legerofficier heeft genezen, verlaat Jezus Kapernaüm en gaat op weg naar de stad Naïn, ruim 30 kilometer naar het zuidwesten. Hij is niet alleen. Zijn discipelen en een grote menigte reizen met hem mee. Vermoedelijk zijn ze tegen de avond bij Naïn. Net buiten de stad komen ze een grote begrafenisstoet tegen. Het dode lichaam van een jonge man wordt op een baar de stad uitgedragen om begraven te worden.

Vooral voor de moeder is het verschrikkelijk. Ze is weduwe en nu is haar enige kind overleden. Toen haar man stierf, had ze tenminste nog haar zoon. Ze moet erg aan hem gehecht zijn geweest. Hij was de enige op wie ze in de toekomst had kunnen terugvallen, en nu is ook hij gestorven. Hoe moet ze nu verder?

Jezus is diep geraakt als hij het intense verdriet en de trieste omstandigheden van deze vrouw ziet. Teder, maar met een overtuiging die vertrouwen geeft, zegt hij tegen haar: ‘Huil maar niet.’ Dan komt hij dichterbij en raakt de baar aan (Lukas 7:13, 14). De mensen merken dat er iets bijzonders aan de hand is en de stoet komt tot stilstand. Velen zullen zich afvragen wat Jezus met zijn opmerking bedoelt en wat hij van plan is.

Jezus geeft de jonge man aan zijn moeder; de menigte kijkt vol verbazing toe
En hoe zit het met degenen die met Jezus meereizen? Zij hebben gezien dat Jezus wonderen deed en allerlei ziekten kon genezen. Maar blijkbaar hebben ze nog nooit meegemaakt dat hij iemand uit de dood opwekt. Inderdaad, lang geleden vonden er weleens opstandingen plaats. Maar zou Jezus dat kunnen? (1 Koningen 17:17-23; 2 Koningen 4:32-37) Jezus beveelt: ‘Jongeman, ik zeg je: sta op!’ (Lukas 7:14) En dat gebeurt! De man komt overeind en begint te praten. Jezus geeft hem aan zijn moeder, die verbijsterd is, maar intens gelukkig. Ze is niet meer alleen.

De rouwende weduwe krijgt haar zoon die al gestorven was terug. In christelijke zin was dit ook een inwijding van de jongeling van Naïn zoals deze genoemd word. De zoon van de weduwe is ook de naam (in oude mythen) voor degenen die een inwijding ondergaan.

(Later wekt Jezus nog iemand anders  op: Lazarus. Dit word ook een grote ingewijde van het esoterische christendom.)

Isis en de maagd Sophia
In het beeld van Isis wijst de Egyptische mythologie op het zuivere astrale lichaam, vrij van zinnelijke verlangens. In de christelijke mysteriën komt de "Maagd Sophia" met haar overeen in een getransformeerde vorm. Zo vindt men in de beelden van de Madonna op christelijk vernieuwde wijze terug wat de Egyptenaren uitbeeldden in het beeld van Isis met de jongen van Horus. Voor zover lichamelijke ziekten uiteindelijk voortkomen uit geestelijke oorzaken, d.w.z. uit ontregelde structuren van het astrale lichaam, was het imaginatieve beeld van Isis van bijzondere betekenis voor de genezende tempelslaap die in de Egyptische geneeskunst werd gecultiveerd. Sensuele begeerte vernietigt de zuivere groeikrachten van het etherische lichaam. Isis kan genezend werken omdat juist in haar de kuise, zuivere, aseksuele maagdelijke voortplantingskracht leeft, vrij van alle zinnelijke begeerte:

De jongeman van Sais zou deze sluier zonder toestemming hebben opgelicht. Volgens Rudolf Steiner werd hij later herboren als de jongeling van Naïn, die in het 7e hoofdstuk van het Lucasevangelie wordt genoemd en door wie Christus uit de dood werd opgewekt. In hem leefde de hele Egyptisch-Chaldeeuwse cultuur en deze vierde zijn wederopstanding in christelijke zin door de opwekking, die tegelijkertijd een inwijding was. Hierdoor kon deze grote ingewijde in de volgende incarnatie de stichter worden van de religie Mani (Manes), die het manicheïsme stichtte.

Later werd de voormalige jongeling van Sais herboren als de "zuivere dwaas" Parzival en gekozen tot de bewaker van de Heilige Graal (Lit.: GA 264, p. 230). Dat werd hij pas na lange omzwervingen, omdat hij bij zijn eerste ontmoeting met de Graal had verzuimd de beslissende vraag te stellen. Op de juiste manier vragen stellen, dus niet met het verstand maar met het hart, is echter in het huidige bewustzijns-ziel-tijdperk de noodzakelijke voorwaarde voor een ingewijde om geestelijke waarheden te openbaren.

"Een ander moet het niet vragen. Hij weet goed genoeg wie niet moet vragen: de jongeling van Sais moet niet vragen. Want het was zijn lot om te vragen, om te doen wat hij niet moest doen, om het beeld van Isis te laten onthullen. De Parzival van de tijd voor het Mysterie van Golgotha, dat is de jongeling van Saïs. Maar in die tijd werd tegen hem gezegd: "Pas op dat wat achter de sluier ligt, onvoorbereid aan je ziel wordt onthuld! - De jongeling van Saïs na het Mysterie van Golgotha is Parzival. En hij moet niet speciaal voorbereid zijn, hij moet met een maagdelijke ziel naar de Heilige Graal geleid worden. Hij mist het belangrijkste, omdat hij niet doet wat de jongeling van Saïs is ontzegd, omdat hij niet vraagt, niet zoekt naar de openbaring van het mysterie voor zijn ziel. Zo veranderen de tijden in de loop van de evolutie van de mensheid!" (Lit.:GA 148, blz. 165)

Novalis gebruikte het motief in zijn sprookje "Hyacint en Rozenknopje", dat de kern vormt van zijn onvoltooide roman "De Leerlingen van Sais" (1799). In een droom tilt de jongeling Hyacint de sluier van de maagd op - en vindt zijn geliefde rozenbloesem:

"Onder hemelse geuren sluimerde hij, omdat alleen de droom hem in het Heilige der Heiligen mocht leiden. Wonderlijk leidde de droom hem door eindeloze kamers vol vreemde dingen op luide, levendige klanken en in wisselende akkoorden. Het leek hem allemaal zo vertrouwd en toch in een nooit eerder geziene heerlijkheid, toen verdween zelfs de laatste aardse aanraking als in lucht verteerd en stond hij voor de hemelse maagd, toen tilde hij de lichte, stralende Sluier op en Rozenbloesem zonk in zijn armen."

- de dichter Novalis: De Leerlingen van Sais, 2. Natuur [4].

Van de inwijdelingen in de tempel werd gezegd:

Maar zij konden dit inzicht niet in één keer bereiken, omdat de geest eerst van vele dwalingen moest worden gereinigd, eerst vele voorbereidingen moest ondergaan, voordat hij het volle licht van de waarheid kon dragen. Er waren dus trappen of graden, en pas in het binnenste heiligdom viel het deksel volledig van hun ogen.

Alles wat versluierd is, alles wat mysterieus is, draagt bij tot het verschrikkelijke en is daarom in staat tot sublimiteit. Van deze soort is de inscriptie die te lezen was boven de tempel van Isis in Saîs in Egypte: "Ik ben alles wat is, alles wat is geweest en alles wat zal zijn. Geen sterveling heeft mijn sluier opgelicht." - Het is juist deze onzekerheid en mysterie die de ideeën van de mensen over de toekomst na de dood iets huiveringwekkends geven; deze gevoelens worden heel gelukkig verwoord in de bekende soliloquia van Hamlet."

- Friedrich Schiller: Van het sublieme

Een noodzakelijk gevolg hiervan was dat een bepaald geheim - het geheim van de verbinding tussen de geestelijke wereld en de fysieke aardse wereld - dat vóór de komst van de Christus Jezus bestond, niet aan deze gewone menselijke organisatie kon worden geopenbaard. De menselijke organisatie moest eerst worden omgevormd, eerst volwassen worden gemaakt. De jongeling van Saïs mocht niet zonder meer het beeld van Isis zien, dat van buitenaf kwam." (Lit.: GA 148, p. 168f)

Toen kwam de pelgrim bij de tempel Hagia Sophia wat in het grieks betekend "heilige wijsheid". Op de binnenkoepel van de tempel staat een beeltenis van Maria Sophia. Onbewust had de pelgrim gezocht naar "heilige wijsheid."
De Hagia Sophia is zowel kerk als moskee geweest en is wss momenteel een museum.
In de kerk-tempel-moskee komt hij de zwart gesluierde vrouw weer tegen. Hij weet nu dat ze Sophia heet. Het gevolg van de rouwstoet is er nu niet. Ze zit op een houten bankje.
Hij loopt op haar toe en wil de sluier oplichten. Vraagt niet of dat wel mag en vraagt ook niet naar de reden van de rouw. Hier komt iets van het Parcival motief te voorschijn de vraag die niet gesteld word. Toen dat Parcival eens overkwam moest hij het graalskasteel (tempel) onverrichtetzake verlaten.
En nu komt het vreemde voor de pelgrim. Hij was absoluut in dit leven geen moslim. Had zich nog nooit erover druk gemaakt dat je in een moskee je schoenen moest uit hebben .
Maar o hoe grote schrik de pelgrim realiseerde zich dat hij wel achoenen aanhad in een moskee een doodzonde!
Dit moet haast te maken hebben met een vorige incarnatie als gelovige moslim.
Ditect kwam ook het gevoel van falen. De sluier kon niet gelicht worden. De pelgrim was er nog niet rijp voor .Maar de gesluierde vrouw die een grote liefde uitstraalde wist precies war hem overkwam.
Alles heeft de signatuur van een mislukte inwijdingsbelevenis.

Later is de pelgrim voor zijn werk echt in Saudie Arabië geweest. En heeft met schoenen aan in een in aanbouw zijnde moskee gelopen. Heeft er zelfs foto's gemaakt wat ten strengste verboden was. Dus het gebeurde stiekum. Totaal geen schroom voor de schoenen.

Over schoenen nog het volgende. Het karma is nauw verbonden met het schoeisel. Deze brengen je namelijk overal naartoe waar je je lot ontmoet.
Je levenspad is daar waar je voeten je naar toe gebracht hebben.

Toen in verwarring de stad en de tempel op de heuvel(s) verlatend van een stenen meer doodse omgeving naar een levend grazig landschap met een meanderende rivier.
Daar ontmoet de pelgrim de wijze oude man die lijkt op Gandalf van de lord of the rings en op Merlijn uit de koning Arthur legenden of het schoolhoofd in Harry Potters Zweinstein. Duidelijk een ingewijde in de mysteriën van het leven. En dat deze tot slot van een lang verhaal opmerkt dat alles goed zal komen is de hoop die de pelgrim de rest van zijn leven mee kan dragen.



terug naar inhoudsopgave

zaterdag 18 oktober 2014

Judith von Halle Behrend, gestigmatiseerd? (deel 2)


Judith von Halle Behrend, gestigmatiseerd? (deel 2)

In een eerste artikel is auteur ingegaan op:
2004-2014
controverse
intermezzo, persoonlijke noot auteur
stigmabegrip in de antroposofie
somnambulisme en visionaire helderziendheid
beoordelings- criteria en gezond mensenverstand
rehabilitatie van Anna Katharina Emmerich?
relevantie

een aantal van de voetnoten van deel 1 geldt ook voor deel 2 en vice versa.


Spirituele economie.

In de meeste werken die stigmata als thema hebben is een zeer belangrijke voordrachtencyclus van Steiner nauwelijks in ogenschouw genomen. In zijn voordrachten over spirituele economie (83) beschrijft Steiner o.a. het volgende. Het wordt hier summier samengevat waarna enkele expliciete citaten volgen. (zie ook blog 42,43):

De Godheid (Christus, het Woord) is tijdens de doop in de Jordaan in het mensenwezen Jezus in diens 30e levensjaar geïncarneerd (heeft zich daarin belichaamd).
Deze menselijke incarnatie van Jezus was ook al sinds oertijden voorbereid opdat de Schepper (het Woord uit Joh. Evangelie) zich eens in zijn eigen schepping kon belichamen. Dit hele gebeuren beschrijft Steiner als het Mysterie van Golgotha.

Door de 3 jarige inwoning van Christus in dit intensief voorbereide menselijk lichaam is er ook van alles gebeurd met de wezensdelen van dit menselijk lichaam, welke o.a. bekend zijn als:

fysiek lichaam (vlees, botten en bloed)
etherlichaam (levenslichaam)
astraallichaam (zielelichaam)
”” Ik”” (kern van de ziel en geest)

Deze wezensdelen zijn op hun beurt weer onderverdeeld in geledingen zoals beschreven in de basiswerken van de antroposofie. (o.a. wetenschap geheimen der ziel)
(85)
Spirituele economie in de menselijke (schepping) evolutie wil zeggen dat datgene wat Christus als God in het menselijke lichaam (Christoforus) bewerkt heeft door de omvorming van de menselijke wezensdelen, in het verloop van de menselijke evolutie ten goede komt aan het mensengeslacht. Zo verhaalt Steiner, dat er in een bepaalde periode zogezegd kopieën (Abbilder) van het door Christus bewerkte (gemetamorfoseerde) etherlichaam geschonken worden aan mensen, bijv. aan Augustinus. In een latere periode worden er kopieën van het doorchristelijkte astraallichaam geschonken ( ingeweven in het reeds bestaande astraallichaam) aan mensen als bijv. Franciscus van Assisi.

Er waren in de tijd van de 4e tot de 12e eeuw een groot aantal mensen, die het als zeer dwaas voorgekomen zou zijn, als men hen gezegd had, dat men aan de gebeurtenissen in Palestina ook zou kunnen twijfelen, want zij wisten het beter. Vooral over Europese landen hadden deze mensen zich verspreid. Ze hadden in zichzelf steeds iets kunnen beleven, wat een soort Paulus openbaring in het klein was; wat Paulus die tot dan Saulus werd, op de weg naar Damascus beleefd heeft, en waardoor hij Paulus werd. Dat was daardoor mogelijk, dat in deze eeuwen de kopieën van het verveelvuldigde etherlichaam van Jezus van Nazareth, die bewaard waren gebleven, bij een groot aantal mensen ingeweven zijn. Hun levenslichaam bestond niet uitsluitend uit deze afbeelding, maar er was een afbeelding in hun levenslichaam ingeweven van het oorspronkelijke origineel van Jezus van Nazareth. Deze mensen konden daardoor een rechtstreeks weten hebben van Jezus van Nazareth en ook van Christus, bijvoorbeeld de dichter van de Heliand in de 9e eeuw. (84)In de latere eeuwen van de 12e tot de 15e eeuw, was het vooral het astraallichaam van Jezus van Nazareth, dat in talrijke afdrukken ingeweven werd in de astrale lichamen van de belangrijkste vertegenwoordigers van het christendom. Voorbeelden: Franciscus von Assisi; Elisabeth von Thüringen. (84)
Bij degenen, bij wie weer meer ingeprent was de bewustzijnsziel, respectievelijk de afbeelding, die zich uitdrukt als bewustzijnsziel van Jezus van Nazareth, bij hen lichtte in hun innerlijk de innerlijke Christus op. Dat waren degenen, die u kent als meester Eckhart, Johannes Tauler en al de dragers van de middeleeuwse mystiek. (84)
Deze doorchristelijkte wezensdelen worden zogezegd ingebouwd of ingeweven in het reeds bestaande etherlichaam of astraallichaam van een mens, bij diens geboorte of later tijdens een bijzondere gebeurtenis in diens leven (87).
Zo gaat dit proces in latere tijd ook verder en worden aan bepaalde mensen kopieën van het " ik" van Jezus geschonken aan daartoe voorbereide mensen zoals bijv, Christian Rosenkreutz (88).

Toen nu Christus zich belichaamde in Jezus van Nazareth, werd in het astraallichaam van Jezus van Nazareth zo iets als een afdruk van het -Ik- geschapen. We kunnen ons gemakkelijk voorstellen, wanneer dit het Christus-wezen is, dat in het astraallichaam binnengaat, dat dan in de omliggende delen van het astraallichaam iets van een afbeelding ontstaat. Deze afbeelding van het -Ik- van Christus heeft nu talloze verveelvuldigingen teweeg gebracht, die in de geestelijke wereld zo te zeggen bewaard bleven. Enkelen hebben in hun eigen -ik- als het ware als profeten van een nieuwe tijd iets ingeweven gekregen, zo bijvoorbeeld enkele Duitse mystici, die daarom de innerlijke Christus met zoveel vuur verkondigden, omdat iets als een afbeelding vqn het -Ik- van Christus in hen belichaamd was. Alleen de mensen, die zich geleidelijk voorbereiden op het volle Christus-begrip, die door het erkennen van de spirituele wereld zullen begrijpen, wat de Christus is, indien hij van tijd tot tijd zich veranderend, steeds weer te vinden is in de voortgang van de aardeontwikkeling, die worden geleidelijk rijp, dit Christus-gebeuren in zich te hebben, zo te zeggen de wachtende afbeeldingen van het Christus-Ik, die Christus in het lichaam van Jezus van Nazareth gevormd heeft, om dit -Ik- op te nemen. Ja, deze gevormde afbeeldingen van de Jezus-individualiteit wachten erop dat ze opgenomen worden door de zielen, ze wachten! (89)

Nu moet men natuurlijk de hele voordrachtenreeks zelf lezen (83) om in context te begrijpen wat het betekent voor een persoon om zo'n wezensdeel geschonken te krijgen en wat het betekent voor het vermogen om christelijke visioenen te kunnen krijgen.



Een mens als Augustinus bijvoorbeeld (waarvan Steiner elders een belangrijke karmische incarnatie heeft onthuld) (90) heeft in zijn -ik- en ziel nog niet die ontwikkeling doorgemaakt dat hij op het moment dat de wijsheid van het hem geschonken levenslichaam hem in het bewustzijn komt, dat al geheel met ziel en geest kan begrijpen en hanteren. Hij draagt dan ook bij aan het materialistisch worden van het kerkchristendom. Steiner herhaalt dan ook keer op keer dat de mogelijkheid tot het maken van vergissingen voor Augustinus groot zijn.
De mens, bij wie het duidelijkst zo'n deelhebben aan het etherlichaam van Christus te voorschijn treedt, is Augustinus. Aan dit feit is de grote betekenis van zijn leven toe te schrijven. Vanaf de 10e tot ongeveer de 16e eeuw wordt het astraallichaam van Christus opgenomen. Daaraan hebben wij het verschijnen van mensen te danken zoals de heilige Franciscus von Assisi en de grote Dominikanen vol deemoed en deugd, die juist de grote astrale eigenschappen van Christus weerspiegelen. Daarom hadden ze een zo duidelijk beeld van de grote waarheden in zich, die ze in hun leven uitoefenden, in tegenstelling tot Augustinus, die nooit vrij bleef van twijfels en steeds in strijd raakte tussen de theorie en de praktijk. Van de grote Dominikanen moet in het bijzonder genoemd worden de heilige Thomas, in wie de invloed van het astraallichaam van Christus zich in hoge mate toonde, zoals we later nog zullen zien. Met de 16e eeuw breekt de tijd aan, waarin de afbeeldingen van het Christus-Ik zich bereid tonen om zich met het -ik- van enkele individualiteiten te verweven. Een van hen was juist Christian Rosenkreutz, de eerste Rozenkruiser. Aan dit feit danken we het, dat een innigere verbinding met Christus mogelijk werd, zoals de esoterische leer ons openbaart. (91),
Maar toen Christus de zintuiglijke wereld verliet, ontstonden er talloze kopieën van zijn ether- en astraallichaam, die ervoor bestemd waren, ingeweven te worden in de lichamen van diegenen die geschikt waren, het christendom te verbreiden. Een van hen was Augustinus, die, toen hij bij het afdalen naar het fysieke bestaan, om zich weer te belichamen, zich een nieuw etherlichaam wilde vormen, juist in zijn etherlichaam een van deze kopieën van het etherlichaam van Christus ingeweven kreeg. Zo kwam hij ertoe, de bronnen van zijn leer over de ware vorm van de christelijke mystiek in zichzelf te vinden. Maar omdat hij slechts het etherlichaam van Christus in zich had, was zijn -ik- aan vergissingen onderworpen en kon hij de speelbal van passies worden. Zo echter ontwikkelde Augustinus zijn -ik-, verviel echter ook in vergissingen en maakte alle stadia van de twijfel door met betrekking tot de leer van Christus. Het was bij hem als bij een hoger materialisme; want ook toen bestond reeds de fout, alles te willen vermaterialiseren. (92).
En in de 11e, 12e, 13e, 14e en 15e eeuw was de tijd aangebroken, waar bij de belichaming van bepaalde zielen het astraallichaam een afbeelding van het astraallichaam van Jezus van Nazareth ingeweven werd. Veel mensen uit de 11e, 12e en 13e eeuw kregen niet alleen het astraallichaam bij het omlaag komen, maar terwijl zich hun astraallichaam voor de reïncarnatie vormde, weefde zich in dit astraallichaam een afbeelding van het astraallichaam van Jezus van Nazareth. Daarom konden deze lieden de grote christelijke waarheden verkondigen. Want ze hadden in hun astraallichaam, waar hun weten zijn oorsprong vond, ingeweven dat, wat een afbeelding was van het astraallichaam van Jezus van Nazareth zelf. Onder degenen echter, die in zich ingeweven hadden verkregen zo'n afbeelding van het astraallichaam van Jezus van Nazareth, was Frans von Assissi. Er waren in de toenmalige tijd velen, onder andere Elisabeth von Thüringen, waar een afbeelding van het astraallichaam van Jezus van Nazareth was ingeweven. Daarom konden ze de grote waarheden van het christendom als oordeel, als logische kennis, als wetenschappelijke wijsheid verkondigen. Maar ze konden nog iets anders: Ze konden in zich beleven, wat men voelen kan, wanneer men het astraallichaam van Jezus van Nazareth zelf in zich draagt. Laat u nu eens op u inwerken al die bescheidenheid, de toewijding, de christelijke liefde van een Franciscus von Assissi, en u zullen de schellen van de ogen vallen. En u zult begrijpen, hoe u Franciscus von Assissi begrijpen kunt: met al zijn fouten, omdat hij zijn -ik- van zichzelf had; in al zijn grootte, omdat hij een afbeelding in zich droeg van het astraallichaam van Jezus van Nazareth. (93)
Ook bij Franciscus van Assissi die een afbeeld geschonken kreeg van het doorchristelijkte astraallichaam van Jezus, beschrijft Steiner meermaals dat deze zijn "ik" nog niet zo ver ontwikkeld heeft om deze gave ten volle te kunnen verwerken, maar hij is toch al verder dan Augustinus. Ook Franciscus wordt door Steiner met een bepaald soort materialisme in verband gebracht.
Als we ons afvragen: wie was eigenlijk de eerste echte materialist, die het materialisme de allereerste aanstoot gegeven heeft, dan krijgen we, wanneer we de geschiedenis van een iets hoger gezichtspunt uit bekijken, een antwoord, dat vanzelfsprekend voor de huidige mensen zeer zeker paradoxaal zal klinken, maar ... volledig gerechtvaardigd is: we krijgen het antwoord, dat de eerste, die op zielegebied het materiële voelen binnenleidde heeft, de heilige Franciscus von Assissi was. (95)
Pas degenen, die een afbeeld van het doorchristelijkte "Ik" van Jezus ontvangen (het beeld van de Graal) zijn eigenlijk pas zonder foute interpretaties (vergissingen) van hun belevenissen. Het kan opvallen dat de verschijnselen die degenen vertonen die een omgewerkt astraallichaam ontvangen hebben ook degenen zijn die als gestigmatiseerden bekend staan. Assisi wel als de bekendste. De visioenen die deze gestigmatiseerden hebben dekken zich zeer goed met de verschijnselen die Steiner beschrijft als gevolg van het ontvangen astraallichaam (ziel, gevoelens).

E
én doorchristelijkt wezensdeel is hierboven nog nauwelijks genoemd. Dat is het opstandingslichaam, Steiner noemt het ook wel fantoom.
Als de mensen die een doorchristelijkt -ik- ontvangen hebben al geen illusies meer hebben over hun eigen schouwingen, (dit in tegenstelling tot degenen met het astrale beeld) des te meer zou dat dan het geval moeten zijn bij mensen die het opstandingslichaam (als beeld?) ontvangen.



Opstandingslichaam.
In aanvang van de schepping (de saturnusfase van de aarde) is dit lichaam dat Steiner ook fantoom noemt al aangelegd, maar deze werd later langzamerhand gecorrumpeerd door de tegenkrachten. (86)
Het aanvankelijk bovenzinnelijk fysieke lichaam, werd in de aardfase gevuld met minerale substantie en zo ook sterfelijk. ( stoffelijke resten na de dood).
Christus heeft door zijn dood en opstanding dat oorspronkelijke fysieke lichaam weer herschapen (ook hersteld) en het kan net als de eerder genoemde wezensdelen aan de mens en mensheid geschonken worden als nieuwe tweede Adam (49).


Uit
voordrachten waar Steiner spreekt over een volledige vergeestelijking van het fysieke lichaam en daarvoor de oosterse benaming atma(n) gebruikt (vertaald als geestmens) blijkt dat dit pas in een verre toekomst zal geschieden.
Een moeilijk te beantwoorden vraag is dan ook of wat Steiner fantoom noemt hetzelfde is wat hij in andere samenhangen atman noemt.
Al tijdens de saturnusontwikkeling heeft zich de eerste kiem tot datgene ontwikkeld, wat ook in de tegenwoordige mensen slechts kiemend is, tot atma. (96)

De innerlijk diepste wezenskern van de mensen noemen we atma of geestmens. Deze is bij de meerderheid van de mensen van nu zelfs nog niet voor (helderziende) schouwing van de ziel zichtbaar. (97).

Door het Mysterie van Golgotha is ingetreden, dat deze ene mens, die de drager van Christus was, een zodanige dood heeft meegemaakt, dat na 3 dagen datgene, wat aan mensen het eigenlijk sterfelijke van het fysieke lichaam is, moest verdwijnen en dat uit het graf dat lichaam zich verhief, dat de drager van de krachten van de fysieke-materiële delen is. Dat, wat eigenlijk de mensen toebedacht was door de heersers van Saturnus, Zon en Maan , dat heeft zich opgericht uit het graf: het reine fantoom van het fysieke lichaam, met alle eigenschappen van het fysieke lichaam. (98).Net zo als van het lichaam van Adam de lichamen van de aardemensen afstammen, in zoverre ze het lichaam hebben wat vergaat, zo stammen van dat wat uit het graf opstond , de geestelijke lichamen af , de fantomen voor alle mensen. En het is mogelijk die relatie tot Christus tot stand te brengen, waardoor de aardemens zijn anders in verval zijnde fysieke lichaam dit fantoom invoegt, dat uit het graf van Golgotha opgestaan is. Het is mogelijk, dat de mens in zijn organisme die krachten, die toen opgestaan zijn zo ontvangt, zoals hij door zijn fysieke organisatie bij aanvang van de aarde door luciferische krachten de Adamorganisatie gekregen heeft. (98)



Echter ook legt Steiner voorzichtig verband tussen stigmata en het aantrekken van dit opstandingslichaam.
Wanneer we echter beginnen , het tot in ons fysieke lichaam te voelen – de voeten als door water omspoeld, het lichaam als met wonden bedekt -, dan hebben we deze gewaarwordingen sterker in onze natuur binnen gebracht en hebben bereikt, dat deze doorgedrongen zijn tot in het fysieke lichaam, want dan komen de stigmata, de van bloed doordrongen plaatsen van de wondtekenen van Christus Jezus tevoorschijn. Als we dat doen, doen we niets minder, dan dat we ons gereed maken in ons fysieke lichaam, het fantoom geleidelijk aan te ontvangen, dat uitgaat van het graf op Golgotha. We werken daarom in op ons fysieke lichaam, om deze zo levendig te maken, dat hij een verwantschap, een aantrekkingskracht voelt tot het fantoom, dat op Golgotha uit het graf opgestaan is. (114)

Deze passage wordt door JvH sympathisanten vaak aangevoerd om te “”bewijzen”” dat Judith daadwerkelijk reeds dat fantoom ontvangen zou hebben. Maar Steiner beschrijft dat dit alleen kan optreden als gevolg van een gevolgde christelijke of rozenkruisers scholingsweg. Eerder gaf JvH zelf al aan dat ze deze scholing in dit leven niet gedaan heeft. (4)
Zou dit werkelijk het geval zijn, dan zou bij JvH niets van visionaire helderziendheid te bespeuren moeten zijn. En dit artikel geeft voldoende feiten om tot de conclusie te komen van het tegendeel. Het voorbeeld van de ook gestigmatiseerde Assisi die toch in zijn “”ik”” niet vrij was van vergissingen spreekt in dit verband boekdelen. (93)

Dit thema is zeer uitvoerig beschreven in een dik boek van S.Prokofieff. (49-100) Bewust wordt dit omvangrijke thema echter in dit artikel niet verder opgepakt. 


Onfeilbaarheid?

De sympathisanten rond JvH echter met als eerste interpreter Peter Tradowsky wisten ons al zeer spoedig in 2004 te melden, dat JvH reeds het fantoom geschonken zou hebben gekregen en dat dat o.a. de oorzaak van haar christelijk schouwvermogen zou zijn om mededelingen te kunnen doen over het gebeuren rond Golgotha. Ook het vermogen om zonder voedsel te leven zou daarmee samenhangen. Later trad Helmut Kiene op als exegeet van JvH. (26)

De interpretatiemogelijkheden zijn legio. Maar wat onderstaand gemeld wordt kan mede aanleiding geven zelf nog eens kritisch de geschriften van JvH door te nemen.




Detailverlies.

Het is hier (wegens plaatsgebrek) niet de plaats om uitgebreid in te gaan op de passages van JvH waar ze beschrijft dat Christus t.b.v. het laatste avondmaal eigenhandig met een mes dieren geslacht zou hebben, waarna het slachtbloed in de graalskelk terechtgekomen zou zijn en door de apostelen gedronken. Bij Mieke Mosmuller (17) en Sergej Prokofieff (20-100) is echter uitgebreid na te lezen hoe de gebruiken waren bij de streng vegetarische Essenen in wiens huis (Coenaculum) de plechtigheden plaatsvonden.
In het blog van de auteur echter zijn er beschrijvingen en tekeningen van JvH n.a.v. bordtekeningen bij een voordracht van haar en n.a.v. een schets in het boek
Abendmahl (13) van het avondmaalshuis, die op zijn zachtst gezegd nogal van elkaar afwijken. Zelf, na dit opgemerkt hebbende zegt ze daarover:; " Detailverlies". (101) Zij zou dit zo geschouwd hebben.
Het merkwaardige bij onderstaande beelden van het avondmaalshuis zoals JvH dit zegt geschouwd te hebben is dat het precies hetzelfde getekende perspectief biedt als een eerder perspectief dat gemaakt is n.a.v. de beschrijvingen in teksten van AKE (Anna Katharina Emmerich). Let wel JvH is architecte!




Afbeelding 1: Avondmaalshuis bordtekening voordracht JvH





Afbeelding 2: Avondmaalshuis schets JvH uit: Das Abendmahl




Afbeelding 3: Avondmaalshuis - tekening nav de beschrijving van AKE



Pijnlijk geconfronteerd met de verschillen in haar eigen tekeningen (101) meldt ze dat het nog eens geestelijk onderzocht zou moeten worden. Als we nu in aanmerking nemen dat over haar gezegd wordt dat ze net als AKE elke vrijdag het Christusgebeuren opnieuw meemaakt, dan zou dat toch niet zo moeilijk moeten zijn? (5)
Toen ik een tijdje naar de vreemde illustratie keek, moest ik vaststellen, dat ik onzeker werd met betrekking tot de daadwerkelijke constructie van de zuilengang. Ik keek het nog eens na in mijn oude notitieblok en vond, dat ik direct na het eerste beleven van de avondmaals-gebeurtenis een schets vervaardigd had, waarin de zuilengang ook gemetselde bogen droeg. Hieraan is te herkennen wat bedoeld is, wanneer ik in mijn uitspraken nu en dan van mijn “herinneringen” spreek. De zintuiglijke omstandigheden tijdens het keerpunt der tijden worden op een bepaald uur beleefd. Daarbij doet het eigen wezen waarnemingen. In een ander uur, wanneer de waarneming weer alleen op het heden gericht is, moet men zich van de herinnering bedienen, om de waarnemingen van het verleden in de tegenwoordige tijd te actualiseren. Daarbij gaan kennelijk zo meerdere details verloren. Het juiste detail van de zuilengang moet derhalve op een ander tijdstip nog een keer gecontroleerd worden. (101)

Ook kan hier niet ingegaan worden op de beschrijvingen van de vorm van het kruis op Golgotha, of dit de kruisvorm had of de Y-vorm. Wederom gaat S.Prokofieff hier uitgebreid op in. (100)


Opwekking Lazarus en de rol van Johannes Zebedeus.

De passage uit haar boek waar auteur destijds grote moeilijkheden mee kreeg en waarover hij aan JvH vragen per mail stelde, die echter nimmer beantwoord werden betreffen de opwekking van Lazarus,
De nu in het Nederlands vertaalde titel is: Over het mysterie van de drie Johannesfiguren: Johannes de Doper, Johannes de Evangelist, Johannes Zebedeüs.(102)

In tegenstelling tot Steiner (103) ,die het juist een echte inwijdingsslaap noemde, schrijft JvH over een echte dood van Lazarus.
Volgens JvH is het fysieke lichaam van Lazarus al in zoverre vergaan, dat het levenslichaam het al verlaten heeft en opgelost is in de etherwereld.

Steiner spreekt van een mysteriedaad waarbij Christus als inwijder een samensmelting tussen Lazarus en de reeds eerder gestorven Johannes de Doper tot stand brengt. (103) Datgene wat de Lazarus-individualiteit in de geesteswereld meemaakt tijdens zijn 3 dagen durende doodsslaap wordt bij zijn opwekking herinnerd en Lazarus wordt daarmee tot Johannes de evangelist en schrijver van de apocalyps. (103)
JvH introduceert daarnaast nog een derde Johannes namelijk Johannes Zebedeus. Volgens haar " gezichten" ziet ze deze Zebedeus kort voor de opwekking van Lazarus sterven, waarbij zijn fysieke lichaam ogenblikkelijk tot as vervalt (105) en ziet zijn levenslichaam in de plaats van het verdwenen levenslichaam van Lazarus treden en daar op de plek waar het lijk van Lazarus zich nog in de windselen bevind, binnen de kortste tijd een compleet nieuw fysiek lichaam opbouwen van een volwassen man, die echter niet fysiek op Lazarus lijkt maar op Zebedeus. Moeten we ons dat voorstellen als een vlinder die uit de cocon van de rups tevoorschijn komt? Waar is opeens het lijk van Lazarus gebleven?
Op het blog van de auteur worden al deze citaten van JvH uitvoerig aangehaald. (42,43)

Ter herinnering: de opstanding van Christus had nog niet plaatsgevonden. En de schepping van het opstandingslichaam nam 3 of 3 ½ dag in beslag. Alleen van Christus is ons bekend dat door zijn 3 jarige inwoning van het lichaam van Jezus, deze dusdanig verbrand was, dat deze na de dood toen er een aardbeving plaatsvond in een spleet in de aarde als as (105) kon neerdalen. Bij Zebedeus kan iets dergelijks niet het geval geweest zijn.
In de bijbel (Joh. 21,2) wordt gesproken over de aanwezigheid van Johannes Zebedeus bij een maaltijd die Christus bereidt nadat Lazarus al opgewekt was. De opmerkzame lezer zou zich kunnen afvragen hoe dit te rijmen zou zijn met bovenstaande.(94)

Het betreffende boek waarin dit beschreven staat is onlangs door een ijverige groep volgelingen ook vertaald en uitgegeven (102). Zodat u het zelf nalezen kunt.

De auteur kreeg n.a.v. zijn blog het verwijt ongelovig te zijn en alles te rationaliseren en dat hij het gevoel voor wonderen gans verloren had. Zelfs de beschuldiging van
rufmord (laster) werd zijn deel. (43)

Nu vertelde juist Steiner iets over de zogenaamde fysieke wonderen, wat hem niet altijd in dankbaarheid werd afgenomen. Bijv. dat het wonder van het lopen over het water helemaal geen aangelegenheid was die op het fysieke plan plaats vond. (99)

Wonderen. Het is een bijgeloof, aan te nemen, dat in de gewone loop der gebeurtenissen datgene, wat men als de wetmatige samenhang erkend heeft, door een wonder doorbroken zou kunnen worden. Zoveel moet gebeuren volgens noodzakelijke regels, als wat er in het verleden gebeurde in de gebeurtenissen. En zouden de Goden in een samenhang dat doorbreken, wat wetmatig daarin is, zo zouden de Goden liegen; zij zouden verloochenen datgene, dat ze in de oudheid zelf vastgesteld hebben. (106)

Hier in dit licht ook de mededeling van JvH over de kleding in de vorm van het grafdoek van Christus (lijkwade Turijn?) die zich volgens haar dwars door de rotsen van het graf heen bewoog.(107) Was dit weer zo'n fysiek wonder of moeten we kleding in andere termen van substantie (niet fysiek) bezien, zoals bijv. de engelen die witte klederen droegen? (108)

Zie in dit licht ook de mededeling van JvH waarbij ze zeer nauw aansluit bij AKE dat er zich vlak voor de doop van Christus in de Jordaan plotseling een fysiek eiland uit het water verhief, (109) waar de doopplechtigheid zich zou gaan voltrekken. Er zou geen onderdompeling hebben plaatsgevonden maar een besprenkeling op land. Was dit een fysiek gebeuren? en zo ja waarom spreken de evangeliën er niet over, waar deze wel bijv. de verschillende aardbevingen vermelden? Ook Steiner sprak er niet over en aangezien er vele ooggetuigen van geweest moeten zijn, wordt er ons, ondanks dat, ook niets van overgeleverd. Bovendien beschrijft Steiner juist het initiatorische effect dat beoogd werd door een onderdompeling van de dopeling.
(112)
Helmut Kiene wederom komt met een exegese met wat JvH bedoeld zou kunnen hebben.(26) maar men krijgt de indruk dat hij wil rechtpraten wat krom is.
Prokofieff komt met een meer aannemelijke verklaring. (16) Toen Christus zich met de doop in de Jordaan met Jezus verbond, gebeurde er natuurlijk van alles in de ethersfeer van de aarde ter plaatse. Dat feit kon door helderziende mensen zeker geschouwd worden. (16) Maar fysieke feiten en helderziend geschouwde visioenen moeten niet met elkaar vermengd worden.


Voorlopig slot.

Dus dat er bijzondere dingen geschouwd kunnen worden bij de opwekking van Lazarus en bij de doop in de Jordaan en bij de opstanding van Christus is met de kennis die we dankzij Rudolf Steiner hebben goed te begrijpen. Maar dat vervolgens dat geschouwde geduid wordt als een aards fysieke aangelegenheid en realiteit, dat is nu juist waar Steiner voor waarschuwde bij somnambulen en bij visionaire helderziendheid. (48-55) Er wordt een mix gepresenteerd van zinnelijke en bovenzinnelijke feiten, waardoor er grote verwarring gesticht wordt. Met antroposofie echter heeft dat niets meer te maken, ook niet als er een antroposofisch sausje over gegoten wordt.

Intussen heeft auteur al heel wat reacties op zijn blog ontvangen, maar wat kan opvallen is, dat sommige sympathisanten van JvH zich niet kunnen of willen voorstellen, dat het detailverlies, wat ze zelf al toegeeft als het gaat om hoe het avondmaalshuis er uit gezien zou kunnen hebben, nog voor veel meer andere gebieden waarover ze schrijft ook zou kunnen gelden........

In de bekende verleidingsscènes in de 40 dagen na de doop, probeerden de tegenkrachten de Christus die zojuist in een mensenlichaam geïncarneerd was ( en ook in bepaalde mate gebonden was aan diens menselijke vermogens) te verleiden om gebruik te maken van zijn magische goddelijke krachten om daarmee fysieke wonderen te verrichten. Later aan het kruis daagden ze Hem nogmaals uit om zichzelf met goddelijke macht van het kruis te verlossen. Maar Christus zag af van magie en machtsvertoon.
Een goddelijke macht die ernst maakt met de menselijke vrijheid grijpt niet in met goddelijke almacht, maar houdt rekening met de liefde die de mens(heid) zich door vrijheid kan verwerven. Anders was het nooit mogelijk geweest dat een God aan het kruis was gestorven. De door de goden geschapen natuurwetten worden niet even terzijde gezet om wonderen op het fysieke vlak te bewerkstelligen.
De echte wonderen moeten plaats vinden op geestelijk niveau.

Heel veel is nog niet geschreven, wat al wel in het blog (42,43) aangeduid en genoemd is. Als er vanuit de lezers van Apocalyps vraag naar is, kan er een
derde artikel volgen waar datgene besproken wordt wat nu omwille van de lengte van de 2 artikelen nog weggelaten is.
De auteur durft te stellen: niet Helmut Zander maar Judith von Halle is de toetssteen of men de intenties van Rudolf Steiner de grondlegger van de antroposofie wel goed begrepen heeft.
Hoe JvH staat tegenover de etherische Christus bijv. zou het vermelden nog waard zijn en hoe ze Edith Marion probeert op te nemen in haar karmische relaties.. (104)

Kees Kromme

Met dank aan Anneke die op zich genomen heeft de Nederlandse taal van de auteur wat te fatsoeneren.





Verwijzingen en noten.

Als er onderstaand naar een boek van Rudolf Steiner verwezen wordt, gebeurt dat aldus:
GA177 14-10-1917, wat dan betekent: in de Gesamt Ausgabe van de Rudolf Steiner Verlag Dornach Schweiz, is dit nummer 177 en daaruit de voordracht van 14 oktober 1917.
Eventuele Nederlandse vertalingen zijn hier te vinden:

alle schuin geplaatste tekst in dit artikel is citaat, als in een citaat vette tekst of onderstreepte tekst staat, dan is dat door de auteur gedaan.

Oudere artikelen uit Apokalyps Nu!, van deze auteur waarnaar verwezen wordt, zijn ook op de volgende website (blog) te vinden: http://antropocalypse.blogspot.nl/

In deze twee artikelen staan een aanzienlijk aantal vertaalde citaten (Duits-Nederlands). Het is niet uit te sluiten dat deze citaten niet volledig uitdrukken wat in het Duitse origineel stond. Vandaar dat via onderstaande link deze oorspronklelijk citaten ook te lezen zijn:






04) beschreven in de voorwoorden van haar boeken
05) http://rudolfsteinerblog.wordpress.com/tag/judith-von-halle/ hier beschreven door Gudrun Deterding Gundersen
  1. Tijdreizen’ – een tegenbeeld van antroposofisch geestesonderzoek. http://home.kpn.nl/jansen-id8/tijdreizen.htm Nederlandse vertaling van Perun boeken, en Duitstalig: http://www.amazon.de/%C2%ABZeitreisen%C2%BB-anthroposophischer-Geistesforschung-Anthroposophischen-Gesellschaft/dp/3723515002
48) Steiners uitspraak over AKE en somnambulisme ; (GA 106 14-9-1908 Aegyptische Mythen und Mysterien, vragenbeantwoording archief) . Aangezien de vragen niet aansloten bij de lezing is deze quote niet bij betreffende voordracht afgedrukt, echter wel in het archief met vragenbeantwoordingen, daar is het voor iedereen toegankelijk en in te zien.
49) Das Mysterium der Auferstehung im Lichte der Anthroposophie van Sergej Prokofieff: http://www.amazon.com/Das-Mysterium-Auferstehung-Lichte-Anthroposophie/dp/3772519113
55) GA 254, 18-10-1915 , Het is hier niet de plaats om in te gaan op de door Steiner genoemde 8e sfeer. In een toekomstig artikel (over singulariteit) zal daar aandacht aan geschonken worden.
Noten deel 2
  1. GA 109/111 Das Prinzip der spirituellen Oekonomie
  2. GA 109 15. Februar 1909
  3. GA 13 wetenschap geheimen der ziel
  4. GA 131, Von Jesus zu Christus in deze voordrachten gaat Steiner uitgebreid in op het fantoom.
  5. GA 109, 11-03-1909 toen Thomas v. Aquino nog jong was en zijn zuster gedood werd door een blikseminslag maakte dat hem rijp om een astraal wezensdeel van Christus te ontvangen.
  6. GA 109, 28-03-1909
  7. GA 109, 07-03-1909
  8. GA 109, 31-03-1909 Judas, Augustinus, Leonardo da Vinci ; http://www.perseus.ch/wp-content/uploads/2012/02/Abendmahl.pdf , GA 139 - 16 September 1912
  9. GA 109, 31-3-1909
  10. GA 109, 31-3-1909 ???res 91
  11. GA 109, 6-4-1909
  12. Joh. 21,2 2 Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanael, die van Kana in
Galilea was, en de [zonen] van Zebedeus, en twee anderen van Zijn discipelen.
  1. GA 137, 6-6-1912
  2. GA 13 der Weltentwickelung und der Mensch
  3. GA 97 , 15-2-1906
  4. GA 131, 11. Oktober 1911
  5. Christus loopt niet fysiek op water GA 139
  6. noot 20 , het daar 2e genoemde boek
  7. JvH- das Abendmahl nawoord: Hier verweert JvH zich o.a. ook tegen lezers die opgemerkt hebben dat ze in haar schouwingen wel heel erg veel lijkt op Anna Katharina Emmerich.. Wolfgang Garvelmann in zijn boek: Sie sehen Christus, in het hoofdstuk Nicht-Uebereinstimmendes was dat ook opgevallen. Het kost hem dan ook hartzeer om het toch eerlijk te vermelden.
  8. Over het mysterie van de drie Johannesfiguren. Johannes de Doper, Johannes de Evangelist, Johannes Zebedeüs Uitgeverij Cichorei, 2014. ISBN 978 94 91748 08 0 :http://antropocalypsearchief.blogspot.nl/2014/03/melding-rob-steinbuch-vertaling-boek.html De verwijzingen in het blog van de auteur verwijzen naar de duitse uitgave.
  9. Steiner heeft veel over dit thema gesproken o.a. : GA57, 14-11-1908, GA 264, GA 94, 31-10-1906, GA 238, GA 112, 1-7-1909, GA 94, 27-10-1906.
  10. In een volgend artikel zou aan de orde kunnen komen.: JvH's verhouding tot Edith Marion en hoe JvH omgaat met het thema -de etherische Christus-
  11. Het lijkt erop dat er enige dingen door elkaar gehaald worden door JvH. Het enige lichaam dat ooit in een oogwenk tot as vergaan is, is het lichaam van Jezus ten tijde dat deze d.m.v. een aardbeving in de aarde werd opgenomen. Dit lichaam was door de inwonende Christuskracht als het ware verbrand. Dat was bij Zebedeus geenszins het geval
  12. GA163, 29-8-1915 en in GA 143 dd 17-2-1912 spreekt Steiner er over dat terwille van een ontwikkeling van de mens die hem tot vrijheid kan voeren -God heeft de liefde behouden, gedeeld heeft Hij echter de macht en de wijsheid met Lucifer en Ahriman. De wijsheid heeft Hij gedeeld met Lucifer en met Ahriman de macht, opdat de mens vrij kan worden, opdat de mens onder de invloed van de wijsheid kan voortschrijden.
  13. noot 12 blz. 152

Johannes 20:12-22 engelen in witte klederen, Openbaring 3:4,5 , – Openbaring 19:14 , Mattheüs 28:3 , Handelingen 1:10 , Openbaring 6:11

  1. In het blog is uitvoerig stil gestaan bij dit zogenaamde doopeiland: http://antropocalypse.blogspot.nl/2013/11/judith-von-halle-behrend-2013.html scrollen naar Update 22-05-2013, hier zijn de overeenkomsten tussen AKE en JvH zeer frappant.
  2. GA 103, 30-5-1908 Het Johannes Evangelie.
  3. Dat neemt niet weg, dat mensen aanstoot aan Prokofieff konden nemen omdat hij in zijn boek (zie noot 20 boek 1), in de aanhang daarvan wel ingegaan is op Anna Katharina Emmerich, maar geen woord rept over Judith von Halle, terwijl het zeer duidelijk was (wegens de actualiteit en de betrekking tot antroposofie), dat hij haar wel in gedachten had bij het schrijven van die aanhang.
  4. GA 112, 30-6-1909 Der Johannes (der Täufer) tauchte noch die Menschen unter, da trat
der Ätherleib heraus, und der Mensch konnte hineinschauen in die geistige Welt.


113) Adriana Koulias, zie blog dd 4-4-2013, volgens noot 43
114) GA 131, 14-10-1911






terug naar inhoudsopgave